Alexander van Well-Huibertje van der Velden

Alexander van Well-Huibertje van der Velden

Bruidspaar J. van Dalen-A. van Well (1884)

Bruidspaar J. van Dalen-A. van Well (1884)

Huwelijksakte J. van Dalen-A. van Well

Huwelijksakte J. van Dalen-A. van Well

Bruidspaar van Dalen-van Well 65 jr

Bruidspaar van Dalen-van Well 65 jr

Rouwkaart Adriana van Well (1950)

Rouwkaart Adriana van Well (1950)

Rouwkaart Jan van Dalen (1950)

Rouwkaart Jan van Dalen (1950)

Klik op een thumbnail
om verder uit te vergroten

Hoofdstuk 1: Jeugdjaren (1894-1913)


Mijn grootvader Sander van Dalen woonde van 1922 tot zijn voortijdige dood in 1945 met zijn gezin in Indonesië, toen nog de ko­lonie Nederlands-Indië. Door zijn werk als hulpprediker en predikant zou mijn familie grote delen van de archipel, de ‘gordel van smaragd’, door­kruisen.
Hij werd in Dordrecht geboren op 31 januari 1894 als Alexander Arnoldus van Dalen, vernoemd naar zijn grootvader van moeders kant. Hij was het zesde van negen kinderen van Johannes Huibertus (Jan) van Dalen en Adriana van Well.
Over Sanders jeugd is weinig informatie bewaard gebleven. Door onderzoek in kerkelijke en burgerlijke archieven heb ik stukjes en beetjes bij elkaar gesprokkeld, en verder uit bronnen van derden, zoals memoires en notities van tijdgenoten die hem gekend moeten hebben. De aantekeningen van mijn grootmoeder Johanna Naaktgeboren, zijn zeer beknopt wat betreft hun jeugdjaren. Wat hier volgt is een reconstructie die zeker niet compleet is.

Vader Jan van Dalen (1857-1950)
oefende het beroep van timmerman uit. Rond Sanders geboorte woonde het gezin aan de Singel 12 te Dordrecht.

Voor zover ik heb kunnen nagaan in de burgerlijke stand en de doopregisters, woonde de familie Van Dalen al vanaf de 17e eeuw in Dordrecht en bezochten ze de protestantse kerk. Ze oefenden ambach­telijke beroepen uit, zoals metselaar en timmerman. Zo wordt er in 1773 in de kerk te Dubbeldam een nieuwe preekstoel aangeschaft en komen er nieuwe psalmborden, beide ge­maakt door Jacobus van Dalen, meester-timmerman te Dordrecht. Ook werd een nieuwe kansel­bijbel aangeschaft en het doopbekken en de zandlopers verbeterd. De opdracht voor de preekstoel was mogelijk gemaakt door Cornelis en Arie Molendijk.

Volgens een krantenartikel in de Dordtenaar was vader Jan zeer intelligent. Toen hij na de lagere school aan het werk ging, ontdekte een leraar van het Dordtse gymnasium het opvallende gemak waarmee de jonge Van Dalen leerde. Deze pedagoog vond het jammer, dat zo’n prachtig verstand niet verder werd ontwikkeld. Hij besprak het geval met de rector. Deze kwam tot dezelfde conclusie, nadat hij met de jongen had gesproken. Omdat het financieel noodzakelijk was, dat Jan werkte en geld verdiende, werd besloten hem ’s avonds belangeloos les te geven.
Van Dalen toonde zich dankbaar voor deze hulp. Studeren was zijn lust en zijn leven en in zes jaar tijds haalde hij het eindexamen gymnasium, louter en alleen met avondstudie. Overdag werkte hij in de tim­merwinkel en ’s avonds kreeg hij les van verschillende leraren. Daarbij vond hij nog gelegenheid zijn lessen te leren en het opgekregen huiswerk te maken. Hoezeer hij daarvoor heeft moeten ploeteren, behoeft geen nader betoog. Halve nachten werkte en studeerde hij en ’s morgens om zes uur was hij weer present op het bouwwerk om zijn timmermansvak uit te oefenen.
De mogelijkheden waren in die jaren veel beperkter dan heden. Daarom zag de jonge Van Dalen in de militaire dienst zijn enige kans. Toen hij kort daarop in dienst moest, was zijn streven erop gericht om in aanmerking te komen voor de ingenieursopleiding, die door het Rijk bij uitzondering werd bekostigd voor bijzonder begaafde militairen. Hij probeerde bij de genie te komen en nadat hij verschillende proef­examens met glans had afgelegd, werd hij inderdaad voorgedragen door zijn kapitein, voor verdere stu­die op staatskosten. Daar tegenover stond de verplichting dat hij beroepsmilitair zou worden, beginnend bij de laagste officiersrang. Dit voorstel lokte Jan in hoge mate en met een zeker triomfantelijk gevoel trok hij het officiersuniform aan. Maar helaas duurde deze weelde slechts twee dagen!
Jan werd tegengewerkt door zijn moeder Huibertje, die kennelijk eenvoudig van geest was, en geloof hechtte aan de volkswijsheid: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, wordt je nooit een kwartje’. Opwaartse mobiliteit was in die tijd inderdaad een uitzondering. Omdat hij nog niet meerderjarig was, moest zij het contract ondertekenen. Wat haar beweegreden ook was, zij weigerde dit en daardoor viel voor Jan de poort naar een betere toekomst voor zijn neus dicht.
Nimmer is hij deze schok te boven gekomen. Gebrek aan invloedrijke vrienden was oorzaak, dat hij - naar eigen zeggen - verder het leven door moest als eerlijk maar hard zwoegend werkman. Van verder studeren kwam nadien niets meer, ook al omdat de noodzakelijkheid van geld verdienen hem voortdreef hamer en zaag te hanteren (nota bene: had hij met een gymnasiumdiploma niet meer kansen gehad? M.M.). Zijn kinderen liet hij echter wel zoveel mogelijk studeren.
Volgens hetzelfde krantenartikel was Jan verder de poëet van de familie. Er kon geen verjaardag, geboorte, huwelijk of sterfgeval in de familie plaats hebben, of Jan zou er een gedicht op maken. Als waardevolle herinneringen aan lief en leed werden deze gedichten in een dik boek bewaard gebleven (maar waar het zich nu bevindt, is onbekend).
Hij zou tot zijn 70e werken als timmerman, maar overal waar hij kwam, zag hij de schoonheid der dingen. Wanneer ’s avonds laat het werk werd onderbroken, ging hij niet als de meesten van zijn collega’s rusten, maar zette hij zich onder de lamp aan tafel en schreef verzen. Zo dichtte hij een ontroerend vers op de zee, nadat hij door de schoonheid der elementen was getroffen, toen hij meewerkte aan een verbouwing van het badhuis in Zandvoort.
Jan bezong de Rijn toen hij in Duitsland werkte en nam verder ieder onderwerp onder handen dat hem trok en boeide. Ook buiten de familiekring werden zijn liedjes en voordrachten zeer gewaardeerd. Zijn humoristische gedicht Reis met hindernissen werd jaren lang op vrolijke avonden voorgedragen.
De moeder van Sander, Adriana van Well, wordt in hetzelfde artikel geschetst als een vrouw met een sprankelende vitaliteit. ´Geest en levenskracht tintelen in haar ogen, waar ook humor uitstraalt. Bedrijvig dribbelt zij tussen keuken en kamer op en neer, terwijl haar niets ontgaat. Zonder sentimentaliteit (maar met milde wijsheid) vertelt zij van hun leven, en plaatst telkens geestige opmerkingen. Zij is nog het middelpunt van het gezelschap, en laat haar bezoekers graag lachen.´











Sander van Dalen
met hoepel
Moeder Adriana van Well
Vader Jan van Dalen
Willem van Dalen
Stamreeks     Van Dalen